Lichaam & Beweging

  • VO2 max trainen met hardlopen: zo pak je het aan

    Mies - september 27, 2026
    Je kunt je VO2 max trainen met hardlopen door rustige looptrainingen te combineren met intervallen: korte stukken waarin je stevig loopt, afgewisseld met rustig herstel. Begin met ongeveer één intensieve training per week en bouw de belasting geleidelijk op. Je VO2 max geeft aan hoeveel zuurstof je lichaam maximaal kan gebruiken tijdens inspanning. Een hogere waarde kan je helpen om een hoog tempo langer vol te houden, al hangt je loopsnelheid ook af van andere factoren. VO2 max trainen met hardlopen: een voorbeeldtraining Deze training is bedoeld voor lopers die al regelmatig hardlopen. Je loopt de snelle stukken stevig, maar niet als een sprint. Kies een tempo dat je bij elk interval ongeveer kunt volhouden. Loop ongeveer 10 tot 15 minuten rustig in. Loop ongeveer 4 keer 3 minuten op een stevig tempo. Dribbel of wandel tussen de snelle stukken ongeveer 3 minuten rustig. Loop na het laatste interval nog ongeveer 10 minuten rustig uit. Adem je aan het einde van een snel stuk diep en kun je nog maar een paar woorden zeggen? Dan zit je ongeveer goed. Begin liever iets te rustig dan te snel. Als je de laatste herhaling nauwelijks kunt afmaken, was je tempo waarschijnlijk te hoog. Je hartslag loopt tijdens een interval geleidelijk op. Daardoor is die bij de start minder bruikbaar om je tempo te kiezen. Gebruik daarom ook je ademhaling en gevoel als leidraad. Hoe bouw je de training op? Heb je nog weinig ervaring met stevig hardlopen? Zorg dan eerst dat je regelmatig rustig kunt lopen. Begin daarna bijvoorbeeld met ongeveer 3 snelle stukken van 2 minuten, met tussendoor 2 minuten rustig herstel. Gaat dat een paar trainingen goed? Maak dan de snelle stukken geleidelijk langer of voeg een herhaling toe. Verander niet alles tegelijk: zo merk je beter welke belasting je aankunt. Voor veel lopers is ongeveer één VO2 max-training per week een bruikbaar begin. Plan de rest van je looptrainingen op een rustig tempo en neem na een zware sessie voldoende hersteltijd. Voelen je benen nog zwaar of ben je ongewoon moe, stel de volgende intensieve training dan uit. Zo volg je je vooruitgang Een sporthorloge kan je VO2 max schatten op basis van onder meer je hartslag en loopsnelheid. Kijk vooral naar de ontwikkeling over meerdere weken. Een lagere waarde na één training betekent niet dat je conditie ineens sterk is achteruitgegaan. Ook zonder horloge kun je verandering merken. Misschien kun je dezelfde intervallen na verloop van tijd gelijkmatiger lopen of herstel je tussen de snelle stukken makkelijker. Voor een nauwkeurigere meting is een inspanningstest met ademgasanalyse nodig. Wanneer is een intensieve training niet verstandig? Begin niet met snelle intervallen als je ziek bent of een blessure hebt die erger wordt door hardlopen. Bij een hart- of longaandoening is het verstandig eerst met een arts te bespreken welke inspanning bij je past. Stop met lopen bij pijn op de borst, duizeligheid of een ongewoon benauwd gevoel en zoek medische hulp. Een VO2 max-training hoeft niet elke keer zwaarder te zijn. Regelmatig dezelfde snelle stukken beheerst lopen geeft je ook de kans om je conditie op te bouwen.
    Lees hier
  • Loopscholing bij hardlopen: oefeningen voor een soepelere pas

    Mies - september 27, 2026
    Loopscholing bij hardlopen bestaat uit korte oefeningen waarmee je onderdelen van je looppas bewust traint. Je oefent bijvoorbeeld hoe je je voeten neerzet, je knieën optilt en je armen meebeweegt. Zo werk je aan je coördinatie en leer je je beweging beter aanvoelen. Je doet de oefeningen meestal aan het begin van je training, na een rustige warming-up. Een blokje loopscholing duurt doorgaans ongeveer 10 tot 15 minuten. Wat train je met loopscholing bij hardlopen? Tijdens het hardlopen volgen bewegingen elkaar snel op. Bij loopscholing haal je daar een onderdeel uit en oefen je dat apart. Bij knieheffen let je bijvoorbeeld op het optillen van je benen. Bij tripplings ligt de aandacht meer op korte passen en de afwikkeling van je voeten. De oefeningen kunnen je helpen om soepeler en bewuster te lopen. Dat betekent niet dat elke hardloper dezelfde pas moet aanleren. Een oefening hoeft ook niet meteen je snelheid te verbeteren of blessures te voorkomen. Zie loopscholing als een manier om je beweging te oefenen, niet als een snelle oplossing voor klachten. Vijf loopscholingsoefeningen om te proberen Zoek een vlak stuk waar je vrij kunt bewegen. Doe de oefeningen rustig en neem de ruimte om te wennen aan de beweging. Wandel na elke herhaling terug naar je startpunt. Tripplings: maak kleine, snelle pasjes vooruit. Til je knieën een klein stukje op en rol je voeten bewust af. Houd je bovenlichaam ontspannen. Knieheffen: loop rustig vooruit en til afwisselend je knieën op. Beweeg je armen mee zoals tijdens het lopen. Begin laag en breng je knie alleen hoger als dat soepel gaat. Skipping: maak vlotte, actieve passen waarbij je afwisselend een knie optilt. Je kunt de knie richting heuphoogte brengen, maar forceer dat niet. Blijf rechtop en land onder je lichaam. Hakken-billen: loop met korte passen vooruit en breng je hielen afwisselend richting je billen. Je hak hoeft je bil niet te raken. Houd de beweging rustig en voorkom dat je onderrug hol trekt. Pendelloop: til je knie op en laat je onderbeen naar voren zwaaien. Breng je voet daarna weer terug onder je lichaam. Maak de beweging eerst rustig, zodat je niet met een gestrekt been ver voor je landt. Kies per oefening één aandachtspunt. Let bij tripplings bijvoorbeeld op kleine passen. Gaat je aandacht naar allerlei dingen tegelijk, dan wordt het lastiger om de beweging ontspannen uit te voeren. Zo bouw je loopscholing in je training in Begin met rustig inlopen en doe daarna de oefeningen, wanneer je nog fris genoeg bent om je te concentreren. Een eenvoudig blok voor beginners ziet er zo uit: Kies drie oefeningen, bijvoorbeeld tripplings, knieheffen en hakken-billen. Doe elke oefening over een kort stuk, bijvoorbeeld ongeveer 20 meter. Wandel terug en herhaal de oefening ongeveer twee keer. Loop daarna rustig verder met je geplande training. Dit zijn richtlijnen, geen vaste aantallen. Worden je bewegingen slordig of ben je buiten adem, neem dan meer rust of maak het stuk korter. Je kunt beginnen met ongeveer één keer per week loopscholing en later bekijken of een extra moment prettig voelt. Veelgemaakte fouten bij loopscholing Te snel beginnen. Bij oefeningen zoals skipping is snelheid niet het eerste doel. Voer de beweging eerst beheerst uit en versnel pas als je het ritme te pakken hebt. De beweging forceren. Een knie hoeft niet per se hoog en een hak hoeft je bil niet te raken. Een kleinere beweging die soepel gaat, is een beter begin dan een grote beweging met spanning. Doorgaan met pijn. Loopscholing kan onbekend aanvoelen, maar scherpe pijn is geen onderdeel van de oefening. Stop als een beweging pijn doet. Blijft de pijn terugkomen, bespreek die dan met een fysiotherapeut of arts. Veelgestelde vragen over loopscholing Is loopscholing geschikt voor beginners?Ja. Begin met eenvoudige oefeningen en een korte afstand. Je hoeft de bewegingen niet perfect te doen: een rustig tempo geeft je de tijd om ze te leren. Moet je alle oefeningen in één training doen?Nee. Met twee of drie oefeningen kun je al gericht oefenen. Wissel ze af als je andere onderdelen van je looppas wilt trainen. Kan loopscholing blessures voorkomen?Dat is niet gegarandeerd. De oefeningen kunnen je coördinatie verbeteren, maar blessures hebben vaak meerdere oorzaken. Bouw de belasting daarom rustig op en stop bij pijn. Begin bij je volgende training met een paar korte herhalingen van tripplings of knieheffen. Zo merk je welke bewegingen voor jou soepel aanvoelen en welke nog wat oefening vragen.
    Lees hier
  • Threshold hardlopen: zo train je rond je lactaatdrempel

    Mies - september 27, 2026
    Threshold hardlopen is trainen op een stevig maar beheerst tempo, rond of net onder je lactaatdrempel. Je ademt duidelijk sneller dan tijdens een rustige duurloop, maar je loopt niet voluit. Door regelmatig op deze intensiteit te trainen, kun je een hoog tempo langer volhouden. Je kunt een thresholdtraining aan één stuk lopen of verdelen in blokken met korte pauzes. Het belangrijkste is dat je tempo gelijkmatig blijft en dat je na afloop niet volledig uitgeput bent. Wat gebeurt er bij threshold hardlopen? Je lactaatdrempel is het inspanningsniveau waarbij lactaat in je bloed steeds sneller begint op te lopen. Lactaat ontstaat wanneer je lichaam energie vrijmaakt en kan ook weer als brandstof worden gebruikt. Het is dus niet simpelweg een afvalstof die je moet vermijden. Bij drempeltraining loop je dicht bij dat punt. Met regelmatige training kan je lichaam beter omgaan met een stevige inspanning. Daardoor kun je vaak sneller lopen voordat lactaat sterk begint op te lopen. Dat is vooral nuttig als je een vlot tempo langere tijd wilt vasthouden. Een thresholdtraining voelt zwaar genoeg om aandacht te vragen, maar niet zo zwaar dat je moet vechten om ieder blok af te maken. Precies dat verschil maakt de training anders dan een korte inspanning waarbij je vrijwel alles geeft. Zo herken je jouw thresholdtempo Een bruikbare omschrijving is: stevig, maar beheerst. Je kunt nog een paar woorden zeggen, maar een ontspannen gesprek voeren lukt niet. Je ademhaling is snel, terwijl je het gevoel hebt dat je je tempo nog een tijd kunt vasthouden. Een ruwe richtlijn is het tempo dat je ongeveer een uur in een wedstrijd zou kunnen volhouden. Dat is geen exacte test en hangt onder meer af van je ervaring en conditie. Gebruik daarom ook je gevoel: moet je al snel naar adem happen of steeds vertragen, dan loop je waarschijnlijk te hard. Je hartslag kan helpen om je inspanning te volgen, maar één vast percentage past niet bij iedereen. Ook reageert je hartslag soms later dan je tempo en kan die oplopen door warmte of vermoeidheid. Loop daarom niet blind op het getal van je horloge. Op een heuvel of bij tegenwind kan je tempo lager zijn terwijl de inspanning hetzelfde blijft. Richt je dan op een gelijkmatig gevoel, niet op een snelheid die je per se wilt halen. Voorbeeld van een thresholdtraining Met korte blokken leer je het juiste tempo herkennen zonder dat je meteen lang achter elkaar stevig hoeft te lopen. Dit is een voorbeeld: Loop ongeveer 10 tot 15 minuten rustig in. Loop 3 blokken van ongeveer 6 minuten op een stevig, beheerst tempo. Dribbel tussen de blokken ongeveer 1 minuut heel rustig. Loop na het laatste blok nog ongeveer 10 minuten rustig uit. Begin liever iets te rustig dan te snel. Het laatste blok hoort nog ongeveer even gecontroleerd te voelen als het eerste. Kun je het tempo alleen met veel moeite vasthouden, maak de blokken dan korter of loop iets langzamer. Je kunt ook een aaneengesloten thresholdrun doen. Een richtlijn voor lopers die eraan gewend zijn, is ongeveer 20 tot 30 minuten op drempeltempo. Langer is niet automatisch beter: stop het stevige deel als je tempo duidelijk inzakt of je de inspanning niet meer beheerst. Hoe vaak past drempeltraining in je week? Voor veel recreatieve lopers is één thresholdtraining per week een bruikbare start. Loop de dagen eromheen rustig en plan geen zware training direct erna. Zo krijgt je lichaam tijd om van de inspanning te herstellen. Ben je net begonnen met hardlopen, dan hoef je nog geen drempeltraining toe te voegen. Bouw eerst op naar regelmatig en ontspannen lopen. Ook als je vermoeid bent of klachten hebt, is een rustige training of een rustdag verstandiger dan een stevig tempoblok. Verhoog niet tegelijk de lengte van de blokken, het aantal herhalingen en het tempo. Maak eerst de gekozen training comfortabel beheersbaar. Daarna kun je bijvoorbeeld één blok wat langer maken. Veelgestelde vragen over threshold hardlopen Is een thresholdrun hetzelfde als een temporun?De termen worden vaak door elkaar gebruikt. Meestal bedoelen lopers met een thresholdrun specifiek een training rond de lactaatdrempel. Een temporun kan ook op een ander stevig tempo worden gelopen. Vraag bij een schema daarom vooral welk gevoel of welke intensiteit bedoeld wordt. Moet je threshold aan één stuk lopen?Nee. Je kunt ook blokken lopen met korte, rustige dribbelpauzes. Dat maakt het makkelijker om de inspanning gelijkmatig te houden. Een aaneengesloten blok vraagt meestal meer ervaring met het tempo. Hoe weet je of je te hard loopt?Als je al vroeg naar adem hapt, je tempo steeds verder inzakt of je na elk blok lang moet bijkomen, is de inspanning waarschijnlijk te hoog. Bij een goede drempeltraining blijf je stevig lopen zonder er een wedstrijd van te maken. Gebruik bij je volgende thresholdtraining vooral je ademhaling en tempo als graadmeter. Een gecontroleerd laatste blok is een beter teken dan een snelle eerste kilometer gevolgd door stukken waarin je moet terugvallen.
    Lees hier
  • Hardloopschema 2 keer per week: zo deel je je trainingen in

    Mies - september 26, 2026
    Een hardloopschema 2 keer per week bestaat uit twee rustige trainingen, met bij voorkeur minstens twee dagen zonder hardlopen ertussen. Loop bijvoorbeeld op dinsdag en zaterdag. Maak één training wat korter en de andere iets langer, zodat je aan je conditie werkt en voldoende tijd hebt om te herstellen. Met twee trainingen per week kun je vooruitgang boeken. Hoe snel dat gaat, hangt onder meer af van je ervaring, herstel en hoe regelmatig je loopt. Meer trainen is niet nodig om met dit schema aan de slag te gaan. Voorbeeld van een hardloopschema 2 keer per week Dit voorbeeld is bedoeld voor wie al ongeveer 20 minuten rustig achter elkaar kan hardlopen. De tijden zijn richtlijnen voor het hardlopen zelf. Begin elke training met ongeveer 5 minuten stevig wandelen en sluit af met ongeveer 5 minuten rustig wandelen. Week Training 1 Training 2 1 Ongeveer 20 minuten rustig lopen Ongeveer 25 minuten rustig lopen 2 Ongeveer 22 minuten rustig lopen Ongeveer 25 minuten rustig lopen 3 Ongeveer 22 minuten rustig lopen Ongeveer 28 minuten rustig lopen 4 Ongeveer 20 minuten rustig lopen Ongeveer 25 minuten rustig lopen De vierde week is iets lichter dan de derde. Voelen de trainingen goed, dan kun je daarna de langere training weer wat uitbreiden. Een week herhalen is ook prima. Kun je nog geen 20 minuten achter elkaar lopen? Wissel dan tijdens beide trainingen korte stukken hardlopen af met wandelen. Zo plan je twee loopdagen Verdeel je trainingen over de week in plaats van ze direct na elkaar te doen. Loop je op dinsdag en zaterdag, dan heb je op woensdag en donderdag geen hardlooptraining. Na zaterdag volgen zondag en maandag als dagen zonder hardlopen. Op de dagen ertussen kun je rustig wandelen of fietsen als je daar zin in hebt. Voel je je nog moe van de vorige training, maak dan van de volgende loop geen zware sessie. Een extra rustdag nemen is verstandiger dan een training afwerken terwijl je niet hersteld bent. Welk tempo past bij dit schema? Loop beide trainingen op een tempo waarbij je nog in hele zinnen kunt praten. Moet je steeds naar adem happen, dan loop je te snel. Je hoeft geen vaste snelheid aan te houden: op de ene dag kan een rustiger tempo prettiger voelen dan op de andere. De langere training draait om langer bewegen, niet om harder lopen. Je mag daarin een wandelpauze nemen als dat nodig is. Lukt een training alleen door flink door te zetten, herhaal dan de week of maak de loopblokken korter. Wat doe je bij een gemiste training of pijn? Heb je een training gemist, ga dan verder op je volgende geplande loopdag. Prop de twee trainingen niet vlak achter elkaar om de gemiste minuten in te halen. Was je langere tijd gestopt, begin dan met kortere, rustige trainingen. Stop met hardlopen bij scherpe of toenemende pijn. Blijven klachten aan bijvoorbeeld je knie, enkel of heup aanhouden, of maak je je zorgen, neem dan contact op met een arts of fysiotherapeut. Plan je twee loopmomenten op dagen die meestal goed uitkomen. Zo wordt het makkelijker om het ritme van trainen en herstellen vol te houden.
    Lees hier
  • Hardloopschema 5 km met 3 keer per week trainen

    Mies - september 26, 2026
    Met een hardloopschema voor 5 km en 3 keer per week trainen bouw je rustig op van korte stukjes hardlopen naar een langere afstand. Het schema hieronder is een richtlijn voor ongeveer tien weken. Je wisselt eerst hardlopen en wandelen af, met als doel om uiteindelijk 5 km aan één stuk te lopen. Je hoeft daarvoor nog geen ervaren hardloper te zijn. Kun je al een tijd stevig wandelen, dan kun je rustig met de eerste week beginnen. Heb je na tien weken nog geen 5 km bereikt, neem dan meer tijd voor de opbouw. Hardloopschema 5 km 3 keer per week Plan de trainingen bijvoorbeeld op maandag, woensdag en zaterdag. Zo zit er steeds ongeveer 48 uur of meer tussen twee trainingen. Loop alle stukken op een rustig tempo: je moet nog een gesprek kunnen voeren. De tabel geeft alleen de kern van de training. Begin elke keer met ongeveer vijf minuten wandelen en wandel na afloop nog enkele minuten uit. Bij herhalingen wandel je steeds tussen de loopstukken, niet na het laatste loopstuk. WeekTraining 1Training 2Training 3 16 keer 1 minuut lopen, 1,5 minuut wandelen6 keer 1 minuut lopen, 1,5 minuut wandelen7 keer 1 minuut lopen, 1,5 minuut wandelen 26 keer 1,5 minuut lopen, 1,5 minuut wandelen6 keer 1,5 minuut lopen, 1,5 minuut wandelen7 keer 1,5 minuut lopen, 1,5 minuut wandelen 35 keer 2 minuten lopen, 1,5 minuut wandelen5 keer 2 minuten lopen, 1,5 minuut wandelen6 keer 2 minuten lopen, 1,5 minuut wandelen 44 keer 3 minuten lopen, 2 minuten wandelen5 keer 2 minuten lopen, 2 minuten wandelen5 keer 3 minuten lopen, 2 minuten wandelen 54 keer 4 minuten lopen, 2 minuten wandelen4 keer 3 minuten lopen, 2 minuten wandelen3 keer 5 minuten lopen, 2 minuten wandelen 63 keer 6 minuten lopen, 2 minuten wandelen4 keer 4 minuten lopen, 2 minuten wandelen3 keer 6 minuten lopen, 2 minuten wandelen 72 keer 10 minuten lopen, 2 minuten wandelen3 keer 6 minuten lopen, 2 minuten wandelen2 keer 10 minuten lopen, 2 minuten wandelen 82 keer 12 minuten lopen, 2 minuten wandelen2 keer 10 minuten lopen, 2 minuten wandelen2 keer 12 minuten lopen, 2 minuten wandelen 920 minuten lopen2 keer 10 minuten lopen, 2 minuten wandelen25 minuten lopen 1025 minuten lopen20 minuten lopenRustig 5 km proberen, met een richtlijn van maximaal 30 tot 35 minuten Zo pas je de drie trainingen aan Voelt een week te zwaar? Herhaal die week voordat je verdergaat. Het is ook prima om tijdens een training een extra wandelpauze te nemen. Het doel is niet om elke keer sneller te lopen, maar om de loopstukken rustig langer te maken. Mis je een training, haal die dan niet in door twee dagen achter elkaar te lopen. Pak het schema weer op wanneer je voldoende hersteld bent. Kies zo nodig de vorige training opnieuw als de onderbreking lang was. Wat als 5 km nog niet lukt? Voor sommige lopers is 30 tot 35 minuten niet genoeg om 5 km af te leggen. Stop dan na die tijd en verleng de langste training in de volgende weken geleidelijk, bijvoorbeeld met ongeveer vijf minuten. Houd de andere twee trainingen korter en rustig. Een wandelpauze onderweg mag ook. Stop met lopen bij scherpe pijn of pijn die tijdens het lopen erger wordt. Heb je aanhoudende klachten, overleg dan met een arts of fysiotherapeut. Zo kun je bepalen wanneer je het schema weer kunt oppakken. Schrijf na de derde training op hoe lang je liep en hoe het voelde. Daarmee zie je of je klaar bent voor de volgende stap richting 5 km.
    Lees hier
  • 100 km hardlopen: van voorbereiding tot finish

    Mies - september 26, 2026
    100 km hardlopen is een ultramarathon: een hardloopafstand die langer is dan een marathon. Je bent vele uren onderweg, waardoor niet alleen je conditie telt, maar ook je tempo, voeding en het vermogen om met vermoeidheid om te gaan. Een goede voorbereiding begint ruim voor de start en is afgestemd op je ervaring en het parcours. Je hoeft niet de hele afstand onafgebroken hard te lopen. Veel deelnemers wisselen rustig lopen af met wandelen, bijvoorbeeld bij verzorgingsposten of op steile stukken. Hoe lang doe je over 100 km hardlopen? Je eindtijd hangt af van je tempo, het parcours, het weer en de tijd die je onderweg stilstaat of wandelt. De tabel laat zien hoe lang je erover doet als je hetzelfde tempo de hele afstand volhoudt, zonder pauzes. Tempo per kilometerTijd over 100 km 6 minuten10 uur 7 minuten11 uur en 40 minuten 8 minuten13 uur en 20 minuten Een tempo van 7 minuten per kilometer kan in het begin gemakkelijk voelen. Bij een 100 km zegt dat weinig over hoe het na tientallen kilometers voelt. Neem in je planning ook tijd op voor eten, drinken, toiletbezoek en eventuele wandelstukken. Bij een wedstrijd telt die tijd mee voor je eindtijd en de tijdslimiet. Voor wie is een afstand van 100 km geschikt? Honderd kilometer lopen vraagt om een stevige basis. Je hebt voordeel van ervaring met langere afstanden en van een periode waarin je regelmatig kunt trainen zonder steeds klachten te krijgen. Een marathon kunnen uitlopen is een nuttige tussenstap, maar garandeert niet dat je klaar bent voor een afstand die meer dan twee keer zo lang is. Ben je net begonnen met hardlopen of herstel je van een blessure? Dan is een 100 km als eerstvolgende doel geen verstandige keuze. Bouw eerst ervaring op met langere duurlopen en wedstrijden. Een sportarts of ervaren trainer kan helpen beoordelen welke stap bij je past, zeker als je gezondheidsklachten hebt. Zo bereid je je voor op 100 kilometer Een voorbereiding op een ultramarathon duurt doorgaans maanden en verschilt per loper. Wie al jarenlang lange afstanden loopt, begint vanuit een andere situatie dan iemand die net een eerste marathon heeft voltooid. Verhoog de belasting geleidelijk en plan ruimte voor herstel. Deze onderdelen maken de voorbereiding specifiek voor een 100 km: Lange, rustige duurlopen: hiermee oefen je om lang onderweg te zijn. Je hoeft in training niet de volledige 100 km te lopen. Oefenen op vergelijkbaar terrein: train voor een vlakke wegwedstrijd op de weg en zoek voor een trail ook onverharde paden en hoogteverschillen op. Eten en drinken tijdens het lopen: probeer uit wat je maag verdraagt en wat je praktisch kunt meenemen. Wandelen met een doel: oefen bijvoorbeeld met stevig wandelen op hellingen of tijdens het eten. Zo kun je die afwisseling bewust inzetten. Materiaal testen: draag je schoenen, sokken en eventuele rugzak tijdens lange trainingen. Kleine schuurplekken kunnen na uren lopen een groot probleem worden. Meer trainen is niet altijd beter. Aanhoudende vermoeidheid, pijn die je loopstijl verandert of klachten die terugkomen zijn redenen om de belasting te verminderen. Met een blessure aan de start verschijnen kan betekenen dat je de wedstrijd niet veilig kunt afmaken. Eten en drinken tijdens een 100 km Bij een inspanning van vele uren raken je beschikbare energievoorraden uitgeput als je niets aanvult. Eet daarom al vroeg en vervolgens regelmatig, in plaats van te wachten tot je honger of een energiedip krijgt. Gels, sportdrank en gewone voeding kunnen allemaal een plaats hebben, zolang je ze tijdens lange trainingen hebt geprobeerd. Een veelgebruikte richtlijn bij langdurige inspanning is ongeveer 30 tot 60 gram koolhydraten per uur. Sommige ervaren lopers verdragen meer, maar dat vraagt oefening. Begin met een hoeveelheid die voor jou werkt en verhoog die niet plotseling op de wedstrijddag. Drink regelmatig naar behoefte en pas je hoeveelheid aan de omstandigheden aan. Bij warmte en veel zweten kan ook aanvulling van zout nodig zijn. Te veel water drinken kan gevaarlijk zijn, omdat het zoutgehalte in je bloed daardoor te laag kan worden. Een opgeblazen gevoel, misselijkheid of steeds minder goed kunnen eten zijn signalen om je plan onderweg aan te passen. Bekijk bij een wedstrijd waar de verzorgingsposten staan en wat ze aanbieden. Neem voldoende mee voor de stukken ertussen, vooral als de posten ver uit elkaar liggen of je eigen voeding nodig hebt. Tempo en parcours maken een groot verschil Begin rustiger dan je op een kortere afstand zou doen. De eerste kilometers moeten beheerst aanvoelen, ook als andere deelnemers sneller vertrekken. Een te hoog begintempo kan later leiden tot grote vermoeidheid en maakt eten onderweg soms lastiger. Een vlak parcours bestaat vaak uit verharde wegen of herhaalde rondes. Dat maakt de route overzichtelijk en kan verzorging gemakkelijk maken. Tegelijk belast je je lichaam lang op een vergelijkbare manier en kan hetzelfde rondje mentaal zwaar worden. Bij een trail bepalen ondergrond, beklimmingen en afdalingen sterk hoeveel tijd je nodig hebt. Wandelen op een steile klim kan dan een slimme keuze zijn. Reken op een technisch of heuvelachtig parcours niet op dezelfde eindtijd als op vlak asfalt. Voorbeelden van 100 km-wedstrijden RUN Winschoten: hier wordt een 100 km op de weg gelopen. Tijdens de editie van 2026 werd ook het Nederlands kampioenschap 100 km georganiseerd. HoHo100: bij deze 100 km loop je meerdere rondes over een officieel opgemeten en gecertificeerd parcours. Grizzly 100k: deze trail voert door Nederland, België en Duitsland en heeft flinke beklimmingen. Wedstrijdopzet en aanbod kunnen per editie veranderen. De tijdslimiet, het terrein en de afstand tussen verzorgingsposten zijn goede punten om mee te nemen bij je keuze. Veelgestelde vragen over 100 km hardlopen Moet je tijdens de voorbereiding 100 km in één keer lopen? Nee. Zo'n training kost veel hersteltijd en kan je voorbereiding juist verstoren. Met langere duurlopen, passende trainingsweken en eventueel een kortere wedstrijd kun je ervaring opdoen zonder de hele afstand vooraf te lopen. Mag je wandelen tijdens een 100 km? Ja. Wandelen kan helpen om te eten, een klim beheerst af te leggen of je inspanning te verdelen. Bij een wedstrijd moet je wel binnen de tijdslimiet blijven. Hoe herstel je na 100 kilometer? Geef je lichaam tijd, eet en drink na de finish en hervat het hardlopen pas geleidelijk. De benodigde hersteltijd verschilt. Ernstige klachten, zoals verwardheid, pijn op de borst of niet kunnen plassen, zijn redenen om direct medische hulp te zoeken. Maak voor je eerste 100 km een plan voor je tempo, voeding en verzorging, maar wees ook bereid het onderweg aan te passen. Zo houd je niet alleen de finish, maar ook je gezondheid in het oog.
    Lees hier
  • Een betere techniek bij het hardlopen: zo pak je het aan

    Mies - september 26, 2026
    Een goede techniek bij het hardlopen voelt soepel en ontspannen: je zet je voet niet ver voor je lichaam neer, beweegt je armen natuurlijk mee en loopt met een pas die bij je tempo past. Er is geen loopstijl die voor iedereen ideaal is. Kleine aanpassingen kunnen helpen om comfortabeler te lopen, maar grote veranderingen zijn niet altijd nodig. Je techniek verandert ook met je snelheid, vermoeidheid en de ondergrond. Het doel is daarom niet om elke stap precies hetzelfde te maken, maar om een manier van lopen te vinden die je prettig kunt volhouden. Waaraan herken je een soepele looptechniek? Bij een ontspannen looppas bewegen je armen en benen mee zonder dat je ze bewust hoeft te sturen. Je kijkt vooruit, houdt je schouders ontspannen en zakt niet sterk in bij elke landing. Je voet komt op de grond terwijl je lichaam naar voren beweegt, in plaats van dat je je onderbeen ver naar voren uitstrekt. Een lange pas voelt soms krachtig, maar kan ook betekenen dat je voet ver voor je lichaam landt. Dat kan aanvoelen alsof je bij elke stap een beetje afremt. Merk je dat bij jezelf, probeer dan niet harder af te zetten. Denk liever aan rustig doorlopen met iets kleinere passen. Beoordeel je techniek niet alleen op hoe die eruitziet. Ook het gevoel telt: kun je ontspannen lopen en past de beweging bij je tempo? Een loopstijl die er bij iemand anders goed uitziet, hoeft voor jou niet de prettigste te zijn. Je landing bij het hardlopen Je kunt tijdens het hardlopen eerst met je hiel, middenvoet of voorvoet de grond raken. Een landing op de hiel is niet automatisch verkeerd. Ook is een landing op de voorvoet niet voor iedereen beter. Belangrijker is dat je je voet niet geforceerd ver voor je lichaam neerzet. Probeer ook niet bewust op je tenen te blijven lopen om stiller of sneller te lijken. Zo'n verandering kan je kuiten en achillespezen anders belasten en daardoor ongemak geven. Hoor je bij elke stap een harde klap of voelt de landing zwaar? Probeer dan een stukje met een ontspannen, iets kortere pas te lopen. Let op of dat prettiger voelt. Je hoeft niet volledig geluidloos te landen. Zo pas je je techniek bij het hardlopen aan Verander niet alles tegelijk. Als je tegelijk op je voeten, armen en romp probeert te letten, ga je vaak juist gespannen lopen. Kies één aandachtspunt en probeer dat tijdens een rustig deel van je loop. Begin met observeren. Loop zoals je gewend bent en merk op waar je spanning voelt of waar je pas zwaar aanvoelt. Kies één aanwijzing. Denk bijvoorbeeld aan ontspannen schouders of aan een voet die dichter bij je lichaam landt. Probeer het kort uit. Richt je een stukje op die aanwijzing en laat je aandacht daarna weer los. Vergelijk het gevoel. Voelt de beweging soepel en kun je normaal blijven ademen? Dan kun je de aanwijzing later opnieuw gebruiken. Een verandering kan in het begin onwennig zijn. Geef jezelf tijd om eraan te wennen en houd het bij een kleine aanpassing. Voelt een nieuwe beweging pijnlijk of duidelijk geforceerd, laat die dan los. Je loopstijl bekijken op video Een korte opname van opzij kan laten zien of je je voet ver voor je lichaam neerzet. Film bij voorkeur terwijl je op een voor jou normaal tempo loopt. Probeer niet extra netjes te lopen omdat de camera aanstaat, want dan zie je minder goed hoe je gewoonlijk beweegt. Een video laat niet zien hoe je spieren en gewrichten de belasting ervaren. Trek daarom geen medische conclusie uit één beeld en verander je stijl niet alleen omdat die afwijkt van die van een andere loper. Een hardlooptrainer kan met je meekijken als je gericht feedback wilt. Bij terugkerende pijn kan een fysiotherapeut helpen om de klachten en je beweging te beoordelen. Veelgestelde vragen over hardlooptechniek Moet je je looptechniek veranderen als je geen klachten hebt?Nee. Als je comfortabel loopt, is er geen reden om je loopstijl helemaal om te gooien. Je kunt wel een kleine aanpassing uitproberen als je merkt dat je ergens onnodig spanning vasthoudt. Voorkomt een betere techniek blessures?Nee, een bepaalde loopstijl geeft geen garantie. Klachten kunnen meerdere oorzaken hebben. Een aanpassing kan soms helpen, maar een snelle verandering kan juist voor extra belasting zorgen. Moet je de hele tijd op je techniek letten?Nee. Kort oefenen met één aandachtspunt is meestal prettiger dan elke stap proberen te sturen. Daarna kun je weer ontspannen verderlopen. Kies bij je volgende loop één punt dat voor jou herkenbaar is en geef jezelf de ruimte om te voelen wat het verschil maakt. Een soepele pas is nuttiger dan een houding die je voortdurend moet forceren.
    Lees hier
  • Negatieve split bij hardlopen: zo deel je je tempo in

    Mies - september 26, 2026
    Een negatieve split bij hardlopen betekent dat je de tweede helft van een training of wedstrijd sneller loopt dan de eerste helft. Je begint beheerst en versnelt later als je daar nog genoeg energie voor hebt. Zo verklein je de kans dat je te snel start en aan het einde flink moet vertragen. Zo herken en bereken je een negatieve split bij hardlopen Vergelijk de tijd van de eerste helft van je afstand met die van de tweede helft. Is de tweede tijd korter, dan heb je een negatieve split gelopen. Het gaat om twee gelijke afstanden, niet om twee gelijke stukken tijd. Stel dat je 10 kilometer loopt en de eerste 5 kilometer in 31 minuten aflegt. Over de tweede 5 kilometer doe je 29 minuten. Je eindtijd is dan 1 uur en je tweede helft is 2 minuten sneller dan de eerste: een negatieve split. Loop je de tweede helft juist langzamer, dan heet dat een positieve split. Zijn beide helften ongeveer even snel, dan heb je je tempo vlak verdeeld. Waarom zou je sneller eindigen dan je begint? Een beheerste start helpt je om niet meteen te veel energie te gebruiken. Dat is vooral nuttig bij langere afstanden, waar een te hoog begintempo later zwaar kan worden. Je kunt dan veel meer tijd verliezen dan je aan het begin hebt gewonnen. Een negatieve split kan ook prettig voelen: je merkt dat je aan het einde nog kunt versnellen. Maar een snellere tweede helft betekent niet automatisch dat je de best mogelijke eindtijd hebt gelopen. Als je eerste helft erg langzaam was, heb je misschien onnodig tijd laten liggen. Voor veel lopers is een zo gelijkmatig mogelijk tempo daarom een goed uitgangspunt. Heb je in de tweede helft nog ruimte om iets te versnellen, dan kan daar vanzelf een negatieve split uit ontstaan. Zo loop je een negatieve split Kies een haalbaar tempo. Ga uit van wat je in trainingen hebt laten zien, niet alleen van een gewenste eindtijd. Begin beheerst. Laat je bij de start niet meeslepen door lopers die sneller vertrekken. Loop rond je beoogde tempo of iets daaronder. Bekijk je tussentijden. Vergelijk bij langere afstanden je tempo over meerdere kilometers. Dat geeft vaak een rustiger beeld dan steeds naar je actuele snelheid kijken. Versnel geleidelijk. Voelt het tempo na de eerste helft nog goed, voer het dan iets op. Je hoeft niet direct een grote versnelling te maken. Beoordeel wat nog kan. Als je merkt dat je te veel moeite moet doen, houd je tempo dan vast. Een gelijkmatige race is beter dan jezelf forceren voor een negatieve split. Wanneer is een negatieve split minder geschikt? Op korte wedstrijdafstanden kan een andere indeling beter passen. Ook bij een heuvelachtig parcours of veel wind is een gelijke inspanning soms nuttiger dan vasthouden aan gelijke kilometertijden. Een langzamere tweede helft kan dan alsnog bij een goed ingedeelde race horen. Oefen de verdeling eerst tijdens een training die je goed aankunt. Zo ontdek je hoe een rustige eerste helft voelt en hoeveel je daarna nog kunt versnellen.
    Lees hier
  • Hardloopschema voor beginners: 3 keer per week rustig opbouwen

    Mies - september 25, 2026
    Met een hardloopschema voor beginners dat je 3 keer per week volgt, wissel je eerst korte stukken hardlopen af met wandelen. In het voorbeeld hieronder bouw je als richtlijn in ongeveer 12 weken op naar 30 minuten aaneengesloten hardlopen. Neem tussen de trainingen steeds een rustdag en herhaal een week als de stap nog te zwaar voelt. Hardloopschema beginners 3x per week Doe de training uit de tabel drie keer in dezelfde week. Een praktische indeling is maandag, woensdag en vrijdag. Begin elke training met ongeveer 5 minuten rustig wandelen en sluit ook af met een paar minuten wandelen. Die tijd komt boven op de training in de tabel. WeekTraining, 3 keer per week 15 keer 1 minuut hardlopen, met steeds 2 minuten wandelen 25 keer 2 minuten hardlopen, met steeds 2 minuten wandelen 34 keer 3 minuten hardlopen, met steeds 2 minuten wandelen 44 keer 4 minuten hardlopen, met steeds 2 minuten wandelen 54 keer 5 minuten hardlopen, met steeds 2 minuten wandelen 63 keer 7 minuten hardlopen, met steeds 2 minuten wandelen 73 keer 8 minuten hardlopen, met steeds 2 minuten wandelen 82 keer 12 minuten hardlopen, met 2 minuten wandelen ertussen 92 keer 15 minuten hardlopen, met 2 minuten wandelen ertussen 1020 minuten aaneengesloten hardlopen 1125 minuten aaneengesloten hardlopen 1230 minuten aaneengesloten hardlopen Wandel bij de trainingen met herhalingen alleen tussen de stukken hardlopen. Na de laatste herhaling begint je afsluitende wandeling. In week 10 loop je minder minuten dan in week 9, maar voor het eerst zonder wandelpauze. Zo verdeel je de drie trainingen Kies dagen waarop je het schema meestal kunt volhouden. Met maandag, woensdag en vrijdag heb je telkens een dag tussen de trainingen en na vrijdag twee dagen tot de volgende training. Op een rustdag kun je rustig wandelen of fietsen als dat prettig voelt. Loop op een tempo waarop je nog een gesprek kunt voeren. Het is niet nodig om de derde training van de week sneller te doen dan de eerste. Het doel is om de tijd rustig op te bouwen, niet om elke keer harder te lopen. Pas het schema aan als een week te zwaar is Ben je na een training erg vermoeid of lukt het niet om rustig te blijven lopen? Herhaal dan dezelfde week. Je kunt ook teruggaan naar de vorige stap. Een training overslaan is geen reden om die later in te halen op een rustdag. Stop bij scherpe pijn, pijn die tijdens het lopen erger wordt of als je anders gaat lopen door pijn. Bij pijn op de borst, duizeligheid of ernstige benauwdheid stop je direct en zoek je medische hulp. Bouw je weer op na een blessure, dan kan een fysiotherapeut helpen bepalen wat voor jou passend is. Zie de 12 weken als een richtlijn, niet als een deadline. Lukt een training prettig en herstel je goed, dan kun je bij je volgende trainingsweek de stap uit de tabel proberen.
    Lees hier
  • Lang last van een blessure? Zo weet je wanneer rust niet meer voldoende is

    admin - juli 9, 2026
    Een blessure komt vaak onverwacht. Tijdens het sporten, een wandeling of zelfs een verkeerde beweging in huis kan een spier, pees of gewricht overbelast raken. In veel gevallen is rust voldoende om het lichaam de kans te geven te herstellen. Toch verdwijnen niet alle klachten vanzelf. Blijft de pijn aanhouden of keert dezelfde blessure steeds terug? Dan is het verstandig om verder te kijken dan alleen rust. Door op tijd de juiste signalen te herkennen, voorkom je dat een tijdelijke blessure uitgroeit tot een langdurig probleem. Waarom rust niet altijd de oplossing is Na een blessure heeft het lichaam tijd nodig om beschadigd weefsel te herstellen. Bij lichte spierpijn of een kleine verrekking nemen de klachten vaak binnen enkele dagen af. Rust, voldoende slaap en een geleidelijke opbouw van beweging zijn dan meestal voldoende. Toch betekent minder pijn niet automatisch dat de oorzaak is verdwenen. Soms verandert het lichaam onbewust de manier van bewegen om pijn te vermijden. Daardoor worden andere spieren of gewrichten extra belast. Op korte termijn lijkt dat geen probleem, maar na verloop van tijd kunnen hierdoor nieuwe klachten ontstaan. Ook kan een blessure ernstiger zijn dan je in eerste instantie denkt. Een peesontsteking, instabiel gewricht of langdurige overbelasting vraagt vaak om een andere aanpak dan simpelweg afwachten. Signalen dat je lichaam meer nodig heeft dan rust Niet iedere klacht vraagt direct om professionele begeleiding. Er zijn echter verschillende signalen die erop wijzen dat het verstandig is om actie te ondernemen. De pijn blijft langer dan twee weken aanwezig Normale spierpijn verdwijnt meestal binnen enkele dagen. Ook veel lichte blessures verbeteren merkbaar binnen twee weken. Blijft de pijn even hevig of neemt deze zelfs toe? Dan is dat een duidelijk signaal dat het herstel niet optimaal verloopt. De blessure komt steeds terug Veel mensen ervaren dat dezelfde knie-, schouder- of rugklachten telkens terugkeren. Dat wijst vaak op een onderliggende oorzaak die niet is aangepakt. Denk bijvoorbeeld aan een verkeerde loophouding, verminderde spierkracht of beperkte mobiliteit. Je kunt dagelijkse activiteiten niet goed uitvoeren Dat je een tijdje niet kunt sporten met een blessure is te verwachten. Als ook traplopen, wandelen, bukken of lang zitten steeds meer moeite kost, heeft de blessure invloed op je dagelijks leven. In dat geval is het verstandig om niet te lang af te wachten. Je merkt krachtverlies of bewegingsbeperking Kun je een arm minder hoog optillen? Voelt een been minder sterk aan of merk je dat een gewricht steeds stijver wordt? Dan is het belangrijk om de oorzaak te laten onderzoeken voordat de klachten verder toenemen. Waarom te lang wachten het herstel kan vertragen Veel mensen denken dat extra rust vanzelf tot herstel leidt. In werkelijkheid kan langdurige inactiviteit juist nadelige gevolgen hebben. Spieren verliezen kracht, gewrichten worden stijver en de belastbaarheid neemt af. Daardoor wordt het steeds lastiger om de normale dagelijkse activiteiten weer op te pakken. Daarnaast kunnen kleine klachten zich ontwikkelen tot chronische pijn. Het lichaam past zich namelijk aan de blessure aan. Je gaat anders lopen, anders tillen of bepaalde bewegingen vermijden. Hierdoor ontstaat een verkeerde belasting van andere spieren en gewrichten. Daarom is het belangrijk om niet alleen naar de plek van de pijn te kijken, maar ook naar de oorzaak. Wat een fysiotherapeut voor je kan betekenen Een fysiotherapeut kijkt verder dan de blessure zelf. Tijdens het onderzoek stelt de fysiotherapeut niet alleen vast waar de pijn zit, maar ook waardoor de klachten zijn ontstaan. Denk aan een verkeerde lichaamshouding, beperkte mobiliteit, spierzwakte of een onjuiste manier van bewegen. Op basis daarvan stelt de fysiotherapeut een persoonlijk behandelplan op. Vaak bestaat dit uit gerichte oefeningen, advies over belasting en begeleiding bij het verantwoord opbouwen van activiteiten.  Dat helpt niet alleen bij het verminderen van de pijn, maar ook bij het voorkomen van nieuwe blessures. Blijven klachten ondanks voldoende rust terugkomen of merk je dat je herstel stagneert? Dan kan fysiotherapie bij Curfs Fysio helpen om de onderliggende oorzaak van de blessure in kaart te brengen. Door gericht te werken aan herstel en preventie vergroot je de kans dat je weer pijnvrij kunt bewegen. Zelf bijdragen aan een sneller herstel Professionele begeleiding is waardevol, maar je hebt zelf ook veel invloed op het herstelproces. Enkele praktische aandachtspunten kunnen het verschil maken. Blijf binnen je mogelijkheden bewegen. Volledige rust is lang niet altijd de beste keuze. Lichte beweging stimuleert de doorbloeding en helpt spieren en gewrichten soepel te houden. Geef je lichaam daarnaast voldoende tijd om te herstellen. Een goede nachtrust, gezonde voeding en voldoende eiwitten ondersteunen het natuurlijke herstelproces.  Ga niet meteen van 0 naar 100, maar bouw activiteiten geleidelijk op. Ga niet direct terug naar het oude niveau zodra de pijn afneemt. Door de belasting stap voor stap te verhogen, krijgt het lichaam de kans om sterker te worden. Zo voorkom je dat je opnieuw overbelast raakt. Luister ten slotte naar de signalen van je lichaam. Pijn die tijdens of na een activiteit blijft toenemen, is meestal een teken dat je een stap terug moet doen. Zo verklein je de kans op een blessure Hoewel niet iedere blessure te voorkomen is, kun je het risico wel aanzienlijk verkleinen. Een goede warming-up, afwisseling in beweging en aandacht voor techniek maken spieren en gewrichten beter bestand tegen belasting. Ook regelmatig werken aan kracht, stabiliteit en mobiliteit helpt om het lichaam sterker te maken. Sport je veel of heb je juist een zittend beroep? Besteed dan bewust aandacht aan een gezonde balans tussen belasting en herstel. Blijven klachten langer aanwezig dan verwacht of merk je dat dezelfde blessure steeds terugkomt? Wacht dan niet te lang met het zoeken naar de oorzaak. Hoe eerder je de juiste aanpak kiest, hoe groter de kans op volledig herstel. En hoe sneller je weer zonder beperkingen kunt bewegen.
    Lees hier
  • Waarom krijg je het carpaal tunnelsyndroom en wie loopt meer risico?

    admin - juni 22, 2026
    Heb je last van tintelingen, pijn of een doof gevoel in je hand? Dan kan er sprake zijn van het carpaal tunnelsyndroom. Dit is een veelvoorkomende aandoening waarbij een zenuw in de pols bekneld raakt. Maar hoe ontstaat dit precies? En waarom krijgt de één er wel last van en de ander niet? In dit artikel lees je wat de oorzaken zijn en welke factoren het risico vergroten. Wat gebeurt er bij het carpaal tunnelsyndroom? In je pols loopt een belangrijke zenuw: de nervus medianus. Deze zenuw gaat samen met pezen door een smalle doorgang, de carpaal tunnel. Als de druk in deze tunnel toeneemt, kan de zenuw bekneld raken. Dit zorgt voor klachten zoals: Tintelingen in de vingers Een doof of prikkelend gevoel in de handpalm Pijn in hand of pols Uitstraling naar onderarm of schouder Krachtsverlies in de hand De klachten komen vaak ’s nachts voor, maar kunnen ook overdag optreden bij bepaalde handelingen. Hoe ontstaat deze beknelling? Maar waardoor neemt die druk in de pols toe? In veel gevallen is er geen duidelijke, directe oorzaak aan te wijzen. Toch zijn er wel factoren bekend die bijdragen aan het ontstaan van het carpaal tunnelsyndroom. Een belangrijke oorzaak is zwelling van weefsels in of rond de carpaal tunnel. Hierdoor wordt de ruimte kleiner en raakt de zenuw bekneld. Daarnaast speelt herhaalde belasting van de hand een rol. Denk aan werkzaamheden waarbij je vaak dezelfde beweging maakt met je hand of pols. Dit kan de druk in de tunnel verhogen en klachten veroorzaken. Wie loopt meer risico? Vraag je je af of jij een verhoogd risico hebt? Er zijn verschillende groepen waarbij het carpaal tunnelsyndroom vaker voorkomt. Vrouwen De aandoening komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Dit wijst erop dat hormonale factoren een rol kunnen spelen. Zwangerschap Tijdens het derde trimester van de zwangerschap kan vochtophoping ontstaan. Dit kan leiden tot zwelling in de pols, waardoor de druk in de carpaal tunnel toeneemt. Mensen met bepaalde aandoeningen Het carpaal tunnelsyndroom komt vaker voor bij mensen met: Suikerziekte (diabetes mellitus) Een traag werkende schildklier Reuma Eerdere botafwijkingen of breuken in de pols Deze aandoeningen kunnen invloed hebben op de structuur of zwelling van weefsels in de pols. Herhaalde handbewegingen Werk of activiteiten waarbij je langdurig dezelfde bewegingen maakt, vergroten het risico. Denk bijvoorbeeld aan repeterende handelingen zoals typen, tillen of knijpen. Waarom merk je klachten vaak ’s nachts? Veel mensen ervaren juist in de nacht klachten. Tijdens het slapen buig je namelijk vaak ongemerkt je polsen. Hierdoor neemt de druk in de carpaal tunnel toe. Dit kan ervoor zorgen dat je wakker wordt van tintelingen of pijn in je hand. Wanneer is het verstandig om actie te ondernemen? Blijven de klachten aanhouden of nemen ze toe? Dan is het verstandig om contact op te nemen met je huisarts. Die kan beoordelen of er sprake is van het carpaal tunnelsyndroom en eventueel aanvullend onderzoek aanvragen. Denk hierbij aan: Een zenuwechografie Een zenuwgeleidingsonderzoek (EMG) Op basis van de uitkomsten wordt bepaald welke behandeling het meest geschikt is. Samenvatting Het carpaal tunnelsyndroom ontstaat door een beknelling van een zenuw in de pols. De exacte oorzaak is vaak niet duidelijk, maar zwelling en herhaalde belasting spelen een belangrijke rol. Je hebt een verhoogd risico als je: Vrouw bent Zwanger bent Bepaalde aandoeningen hebt Veel herhaalde handbewegingen maakt Herken je klachten zoals tintelingen, pijn of krachtsverlies in je hand? Neem dan contact op met je huisarts voor verder onderzoek en advies.
    Lees hier
  • Onderarmen trainen thuis: zo pak je het aan

    Mies - april 22, 2026
    Sterke onderarmen bereik je ook gewoon thuis, zonder dure apparatuur. Met een paar gerichte oefeningen en eventueel een paar dumbbells of een handdoek train je de spieren in je onderarmen effectief. Onderarmen trainen thuis is makkelijker dan de meeste mensen denken, en het verschil merk je snel in je grip en je algehele kracht. Waarom zijn sterke onderarmen belangrijk? Je onderarmen gebruik je bij bijna elke beweging die je met je handen maakt. Denk aan optrekken, iets dragen, een fles openen of een tas sjouwen. Sterke onderarmen geven je een betere grip, wat ook helpt bij andere oefeningen zoals deadlifts of pull-ups. Bovendien zien goed getrainde onderarmen er strak uit en maken ze je arm als geheel sterker en evenwichtiger. Veel mensen richten zich bij armtraining alleen op de biceps en triceps. De onderarmen worden daardoor vaak vergeten. Dat is jammer, want een sterke grip en stevige onderarmen maken je totale kracht een stuk groter. Welke spieren zitten er in je onderarm? Je onderarm bestaat uit twee groepen spieren. Aan de binnenkant zitten de flexoren, die je pols naar binnen buigen. Aan de buitenkant zitten de extensoren, die je pols naar achteren bewegen. Voor een volledig resultaat train je beide groepen. Doe je alleen curls, dan train je voornamelijk de binnenkant. Voeg ook reverse oefeningen toe voor de buitenkant. De beste oefeningen om onderarmen thuis te trainen Je hebt voor de meeste oefeningen niet veel nodig. Een paar lichte gewichten of zelfs een gevulde fles water is al genoeg om te beginnen. Hieronder staan de meest effectieve oefeningen op een rij. Wrist curls: Zit op een stoel en leg je onderarmen op je bovenbenen, met de handpalmen omhoog. Houd een gewicht vast en beweeg je pols langzaam omhoog en omlaag. Dit traint de flexoren aan de binnenkant van je onderarm. Reverse wrist curls: Dezelfde positie, maar nu met de handpalmen naar beneden. Je beweegt je pols omhoog, richting je lichaam. Je voelt de spanning aan de buitenkant van je onderarm. Dit is lastiger dan de gewone variant, dus gebruik wat minder gewicht. Dead hang: Hang aan een pull-up stang of een stevige deurpost en houd jezelf zo lang mogelijk vast. Je hebt hier geen gewicht voor nodig. De dead hang traint je grijpkracht en je onderarmen tegelijk. Begin met hangen van 20 tot 30 seconden en bouw dit op. Farmers walk: Pak twee gewichten of zware boodschappentassen en loop ermee door de kamer. Houd je rug recht en je schouders naar achteren. Doe dit zo lang mogelijk. Je onderarmen werken hard om de gewichten vast te houden. Reverse curl: Houd je bovenarmen langs je lichaam en houd een gewicht vast met de handpalmen naar beneden. Beweeg je onderarm omhoog, zoals bij een gewone curl, maar met gedraaide handen. Je voelt direct dat er meer spanning op je onderarmen staat dan bij een normale bicepscurl. Hoe vaak en hoeveel sets? Voor het trainen van je onderarmen thuis geldt dezelfde richtlijn als voor andere spiergroepen. Doe twee tot drie keer per week een onderarmtraining. Kies twee of drie oefeningen per sessie en doe daar drie sets van. Gebruik een herhalingsaantal van tien tot vijftien herhalingen per set. Rust dertig tot zestig seconden tussen de sets. Je onderarmen zijn gewend aan veel gebruik in het dagelijks leven, dus ze herstellen relatief snel. Toch is voldoende rust tussen trainingssessies belangrijk om ze de kans te geven te groeien en sterker te worden. Praktische checklist voor thuis Zorg voor een gewicht dat je uitdaagt maar waarmee je de oefening nog goed kunt uitvoeren. Train zowel de binnenkant als de buitenkant van je onderarm. Begin elke sessie met een korte warming-up, zoals je polsen ronddraaien. Beweeg langzaam en gecontroleerd, zeker bij wrist curls. Bouw het gewicht of de hersteltijd geleidelijk op naarmate je sterker wordt. Voeg de dead hang toe als je geen gewichten hebt. Geen dumbbells? Dit zijn je alternatieven Je hebt geen sportschool of dure apparatuur nodig om je onderarmen thuis te trainen. Een gevulde fles water, een blikje verf of een zware boodschappentas doet prima dienst als gewicht. Voor de dead hang heb je alleen een stevige stang of balk nodig die je gewicht kan dragen. Gebruik bij twijfel geen onveilige constructies. Een handdoek kan ook helpen. Sla hem om een deurkruk of een stang en knijp hem samen terwijl je trekt. Dit traint je grijpkracht op een andere manier dan een glad gewicht. Variatie is goed, want het uitdaagt je spieren op verschillende manieren. Zo houd je vooruitgang bij Schrijf na iedere training op welke oefeningen je deed, hoeveel sets en herhalingen, en welk gewicht je gebruikte. Zo zie je na een paar weken of je vooruitgaat. Als een oefening te makkelijk wordt, verhoog je het gewicht of de duur een klein beetje. Kleine stapjes zorgen op de lange termijn voor zichtbaar resultaat. Veelgestelde vragen Hoe lang duurt het voordat je resultaat ziet bij onderarmen trainen thuis? Bij regelmatig trainen, twee tot drie keer per week, merk je na vier tot acht weken verschil in kracht en uithoudingsvermogen. Zichtbare spierontwikkeling duurt vaak iets langer en hangt ook af van je voeding en rust. Kan ik mijn onderarmen trainen zonder enig materiaal? Ja, onderarmen trainen zonder materiaal is goed mogelijk. De dead hang aan een deurpost of stang is een effectieve oefening waarbij je geen gewichten nodig hebt. Ook knijpoefeningen met een bal of handdoek werken goed voor je grijpkracht. Worden mijn onderarmen ook getraind bij andere armoefeningen? Onderarmen worden deels meegetraind bij oefeningen zoals bicepscurls, pull-ups en rows. Maar om ze echt gericht te trainen, zijn losse onderarmoefeningen zoals wrist curls en reverse curls aan te raden. Zo train je ook de spieren die bij gewone oefeningen minder actief zijn. Is het erg als mijn onderarmen sneller moe zijn dan andere spieren? Nee, dat is normaal. Onderarmen zijn kleine spiergroepen die snel verzuren bij gerichte oefeningen. Dit betekent niet dat je iets fout doet. Rust even uit tussen de sets en bouw het volume langzaam op.
    Lees hier